Zwart-wit biomedisch stroomschema dat de routes van celopname, transport en weefselinteractie weergeeft.

Levenscyclus van valse meeldauw (Plasmopara viticola) op druif

Verspreiding afhankelijk van het weer

Sporangiën spelen ook een belangrijke rol in de verdere verspreiding van de ziekte tijdens het seizoen: vanuit de schimmeldraden in het blad (of ander weefsel) worden bij vochtig weer grote aantallen boomvormige sporendragers gevormd (‘sporulatie’). Deze groeien aan de onderkant van het blad door de huidmondjes naar buiten. Aan deze sporendragers zitten grote aantallen ovale sporangiën, die weer verspreid kunnen worden en zoösporen kunnen loslaten. Hierdoor verspreidt de ziekteverwekker zich bij vochtig weer snel over het blad, de hele plant en het hele gewas. Voor de vorming van deze sporangiën is een periode van 4 uur durende donkerperiode nodig. De temperatuur moet in het begin minimaal 13°C zijn en later minimaal 11°C. De relatieve luchtvochtigheid moet 95-100% zijn voor sporulatie.

Ook de manier waarop een sporangium kiemt is vaak temperatuurafhankelijk: bij lage temperaturen komen er zoösporen uit en bij hoge temperaturen direct

een kiembuis (zie onder).


Grafiek van periode tussen infectie en symptomen bij valse meeldauw of drif tegen temperatuur

Variaties in de levenscyclus bij andere soorten

Bij uien geen oösporen: Valse meeldauw in uien wordt veroorzaakt door de schimmel Peronospora destructor. Deze overleeft de winter in de vorm van schimmeldraden in plantuitjes en in winteruien. Oösporen worden bij deze soort niet gevormd. Als in het voorjaar besmette plantuitjes worden uitgeplant en besmette winteruien weer gaan groeien, kan de schimmel op deze planten een grote massa sporen vormen. Deze sporen kunnen door de lucht verspreid worden binnen het gewas. Deze ziekteverwekker is dus uitstekend aangepast aan de manier waarop uien geteeld worden


Sporangiën of conidiën: Verschillen bij andere valse meeldauwsoorten liggen vooral in de manier van kiemen van de sporangiën. Bij de meeste soorten kunnen de sporangiën bij hogere temperaturen ook direct een kiembuis vormen en een plant infecteren, zonder de vorming van zoösporen. In het geslacht Bremia is dit ook bij lage temperatuur de meest voorkomende vorm van kiemen en in de geslachten Peronospora en Peronosclerospora kiemen de sporangiën altijd direct. In die gevallen is het sporangium dus een aseksuele spore op zich. Daarom worden ze ook wel conidiën genoemd, de gangbare naam van aseksuele sporen.


Diagram van een micro-organisme dat zich voortplant door knopvorming, met pijlen die de stadia en de a

Kieming van een sporangium: vorming van zoösporen of een kiembuis